Montaigne
- 30 dagen retourgarantie
- Gratis verzending vanaf 4 boeken of 40 euro
- Alle boeken met zorg gecontroleerd
- Voor 15:00u besteld, dezelfde dag verzonden
Waar gaat het over?
Recensies
Hans • juli 16, 2025
In de laatste maanden van zijn leven schreef Stefan Zweig (1881-1942) een, volgens de tekst achterop het boekje in kwestie, ‘biografie van intense psychologische scherpte waarin we niet alleen Montaigne leren kennen, maar waarin Zweig ook zichzelf blootgeeft’. Daar valt nog wel het een en ander op af te dingen – niet zozeer op het tweede deel van deze zinsnede, als wel waar het gaat die psychologische scherpte. De lezer leert Michel de Montaigne (1533-1592) dan misschien wel tot op zekere hoogte kennen, maar Zweigs althans qua omvang erg beperkte biografie laat zich vooral kenschetsen als een opvallend kritiekloze lofzang op de beroemde Franse filosoof en essayist. Wat veel later Multatuli zou zijn voor Hugo Brandt Corstius en Simon Carmiggelt voor Sylvia Witteman, hun lichtend voorbeeld, dat was Montaigne kennelijk voor Stefan Zweig. Montaigne komt ter wereld, zo lezen we in de biografie, in een gezin dat het aan niets maar dan ook niets ontbreekt, en waarin hij zich vervolgens ontwikkelt van een verwend jongetje aan wie totaal geen eisen worden gesteld tot de indolente, gemakzuchtige, egocentrische vaandeldrager van een vrijheidsbegrip dat wat hem betreft de ‘essentie’ van het leven uitmaakt. Maar als je zo Zweigs boekje leest, valt Montaignes vrijheid wel heel erg samen met vrijblijvendheid, voortvloeiende uit diens wetenschap dat problemen waarmee hij persoonlijk te maken zou kunnen krijgen –‘tegenslag hoort bij het leven,’ook daarover zijn biograaf en gebiografeerde het eens– wel worden voorkomen en zo nodig opgelost door de permanente beschikbaarheid van talloze ondergeschikten en anderen die voor hem klaarstonden. Montaigne wilde kunnen oordelen zonder vooroordelen, maar geeft nergens blijk van enig besef dat zijn mens- en wereldbeeld mede wordt bepaald door zijn afkomst, dat hij zijn complete handel en wandel kan ontplooien bij de gratie van al hetgeen hij als lid en erfgenaam van een rijke familie heeft verkregen – financiële middelen, onroerende goederen, verdere bezittingen, personeel. Met het beheer van dat alles wilde hij zo min mogelijk, bij voorkeur helemaal niets, te maken hebben, en zelfs het schrijven van dagboekaantekeningen over een reis naar Zwitserland en Italië kwam grotendeels op conto van een secretaris. Oog voor mensen in veel minder bevoorrechte positie lijkt hij, zo valt tussen de regels door toch wel uit Zweigs biografie(tje) op te maken, niet of nauwelijks te hebben gehad; de auteur expliciteert dergelijk punt echter nergens. Zweig is een verklaard bewonderaar, dweept met hem, en zijn onkritische houding tegenover Montaigne is me tijdens het lezen van de ongeveer 120 bladzijden die het boekje telt steeds meer gaan tegenstaan. Bovendien verbaast men zich als lezer nogal eens over beweringen die soms haaks op elkaar staan, die tegenstrijdig zijn of in ieder geval lijken te zijn. Zo zou Montaigne de eerste drie à vier jaar van zijn leven hebben doorgebracht in een ‘armoedige kolenbrandershut’, bewoond door ‘mensen uit de laagste stand […], arme houthakkers’ die vielen onder de ‘seigneurie’ van de Montaignes. Eenmaal opgenomen in de ouderlijke woonst, het château, zou het ventje zonder op dat moment nog maar een woord Frans te kennen hebben moeten leren spreken in het Latijn; letterlijk iedereen in zijn omgeving zou van meet af aan uitsluitend in die taal met hem hebben mogen communiceren. Valt uit dit alles soms op te maken dat er in die kolenbrandershut jarenlang was gezwegen? Andere dingen die mij de wenkbrauwen omhoog deden gaan zijn bijvoorbeeld de frictie tussen enerzijds de lof die Montaigne door Zweig krijgt toegezwaaid in verband met het grote verantwoordelijkheidsgevoel dat hij aan de dag legt tegenover de talrijke leden van gezin dat hij later zelf heeft, en anderzijds een opmerking dat hij als huisvader niet eens zou hebben geweten welke van zijn thuiswonende kinderen nog in leven dan wel overleden waren. En waarom, zo vraagt men zich als lezer af, was de filosoof-essayist eigenlijk de laatste ‘sieur’ de Montaigne? Was er misschien geen enkele zoon meer in leven die in aanmerking kwam die titel over te nemen? Ook wordt Montaigne door Zweig getypeerd als ‘een man van de verandering’, maar wacht eens even, deze zat toch uit volstrekt vrije wil tien jaar in volkomen afzondering in een torenkamer van zijn kasteel om daar, uiteraard alleen maar als hij daar echt zin in had, een beetje te lezen, te denken, te schrijven? Zoals gezegd, wat Stefan Zweig over de uiterst elitaire vrijheidspropagandist Michel de Montaigne te melden heeft irriteert mij soms. om te beginnen op het punt van de inhoud – hoewel natuurlijk ook of juist over een in enig opzicht ergerniswekkend persoon een mooie biografie kan worden geschreven. Het onderhavige levensverhaal had evenwel meer zorgvuldigheid verdiend. Zulk een zorgvuldigheid kon Zweig in de periode dat zijn zelfgekozen levenseinde ophanden was, wellicht niet meer opbrengen. Maar wat ongetwijfeld eveneens een rol zal hebben gespeeld is de blinde vlek van Zweig met betrekking tot de persoon van Montaigne. De auteur spiegelt zijn eigen persoon en leven graag aan de persoon en het leven van de filosoof-essayist. De desbetreffende vergelijking gaat, naar het zich laat aanzien, redelijk op, in meerdere opzichten – om te beginnen al op het punt van de bevoorrechte startpositie die beiden in het leven kregen toebedeeld. Aan de finish toont Zweig in ieder geval, in dit laatste werk van zijn hand, eenzelfde naïviteit te bezitten als waarvan Montaigne volop blijk heeft gegeven in diens essays. Het zij zo, misschien moet ik die essays toch maar eens gaan lezen.